vrijdag 3 september 2010, 22e week door het jaar 
Anton ten Klooster
Mgr. de Korte: "Ik heb mogen oogsten"
13 sep '05

Om te beginnen een algemene vraag: wat is uw visie op de combinatie van een priesteropleiding met academische vorming. Samengevat in kracht en zwakte?

“Bij de start van het Ariënskonvikt bestond de KTHU al. Het bisdom benutte dus de kennis die er al was. Er is nooit het idee geweest om een opleiding te starten los van de KTHU, waar immers ook al veel voormalige docenten van het grootseminarie aan verbonden waren. Men heeft de aanwezige knowhow zo goed mogelijk willen gebruiken. Groot voordeel is ook de band met de Rijksuniversiteit. Een en ander biedt kansen voor de oecumene. Zo is de opleiding ook een afspiegeling van de dagelijkse praktijk. De opleiding staat letterlijk en figuurlijk midden in de samenleving. Zo heb je bijvoorbeeld de boekhandel in de buurt maar ook de bioscoop en dergelijke.”

Kent dit systeem ook een zwakte?

“Voorstanders van het seminariemodel wijzen erop dat de vormingsjaren belangrijke jaren zijn die vragen om helderheid en duidelijkheid. Ik ben me er ook van bewust dat de combinatie van priesteropleiding en academische vorming confronterend kan zijn. Maar ik heb zelf als student ervaren dat het Ariënskonvikt een sfeer biedt van kerkelijkheid, van stilte en gebed waar kritische noties verwerkt kunnen worden. Het is voldoende fundament voor werk in de kerk van vandaag, een kans om je geloof goed te ontwikkelen. Daarom denk ik dat de opleiding zoals die aangeboden wordt voldoende waarborg biedt voor de priesterlijk vorming.”

U bent als student begonnen, later werd u (con)rector en promovendus. Welke veranderingen heeft u in die tijd waargenomen?

“In 1980 ben ik begonnen als student, in 1987 werd ik eerst staflid en later conrector en uiteindelijk van 1992 tot 1999 rector. Nu ben ik bij de opleiding betrokken als beleidsadviseur van de kardinaal omtrent de universiteit. Echte grote veranderingen heb ik niet waargenomen. De echte spannende periode is natuurlijk al voor 1980 geweest. Het verschilde ook per jaargroep. Ik was zelf niet de enige priesterstudent en de andere studenten waren ook nogal kerkelijk. Er waren ook studenten die in een jaargroep met grote diversiteit zaten maar nooit in een vervelende zin. De tijd tussen 1980 en 1990 is mijns inziens een tijd van overgang van polarisatie naar dialoog. De sfeer op de KTU heb ik nooit als kerkvijandig gezien. Er was een verbondenheid met de kerk en een openheid naar de priesteropleiding en het bisdom. Zelf heb ik het erg getroffen met mijn jaargroep, uiteindelijk stonden alle neuzen richting werken in de kerk.”

U spreekt van een overgang naar dialoog. Maar het was nog in 1983 dat aartsbisschop Simonis onder luid protest zijn kathedraal in bezit nam.

“Ja, dat is waar. En vergeet ook niet het pausbezoek van 1985. De demonstranten waren deels katholiek maar ook deels niet-katholiek. In mijn beleving was het niet zo heftig. Je eigen jaargroep bepaalt natuurlijk je herinneringen. Het was in die beginjaren op een andere manier een spannende tijd: gaat het lukken met de nieuwe opleiding? In het eerste jaar begonnen zes mannen aan de opleiding en aan het eind was er nog één over.”

Hoe was om later als staflid in contact te staan met de KTU?

“Er waren altijd hele goede contacten op rectorenniveau. We kwamen regelmatig samen in het overlegorgaan COBK en als er iets was kon ik direct de rector bellen. Als oud-student kende ik natuurlijk de docenten ook persoonlijk. Het feit dat KTU docent Henk Schoot en later Eric Luijten studierectoren van het Ariënskonvikt werden, maakt de communicatie gemakkelijker.”

Welke positie namen de studenten van het Ariënskonvikt op de KTU in? Hoe verhielden de studenten zich zelf tot de KTU?

“Dat wisselde per jaar. Soms waren er wat meer spanningen. En een stagegroep kon weer anders uitpakken dan een jaargroep. Achteraf kun je zeggen dat het bijdroeg aan de vorming. Je wordt gedwongen om voor jou vanzelfsprekende noties te toetsen. Het Ariënskonvikt was tegelijkertijd een basis om centrale noties van het priesterschap in te oefenen. Na mijn studie geschiedenis had ik al een fundament. Zo had ik geen moeite met intellectuele discussies. Tijdens de priesteropleiding werd ik geconfronteerd met de weerbarstigheid van het kerkelijk leven en dat is uiteindelijk alleen maar gunstig. Het Ariënskonvikt biedt een hoog kerkelijk milieu maar staat tegelijkertijd met beide benen in de cultuur. De student moet uiteindelijk ook pastor worden in een parochie waar die weerbarstigheid volop aanwezig is. In die praktijk werkt hij dan vanuit de Eucharistie, een persoonlijk band met Christus en op het ritme van het getijdengebed. Dat oefen je in op het Ariënskonvikt.”

Hoe was het voor studenten zelf om in de combinatie te leven Ariënskonvikt en KTU te leven? Was er af en toe niet sprake van strijdige belangen?

“We gingen altijd soepel om met de combinatie. Het was altijd goed te bespreken. Ons gebedspatroon sloot ook aan bij het onderwijs op de KTU. We vergaderden daar regelmatig over en de studierectoren Schoot en Luijten hadden een goed zicht op beide elementen, dat was ideaal.”

Toen u rector werd, wat was volgens u het belangrijkste dat er moest veranderen in die verhouding?

“Ik ben langzamerhand ingegroeid in het Ariënskonvikt. Ik was natuurlijk een leerling van de toenmalige rector Rentinck. Het patroon had ik al meegemaakt en daarom heb ik nooit de behoefte gehad om bijvoorbeeld het dagritme te veranderen. Het bood goed kader voor de studie.”

Als u terugkijkt op uw tijd als rector, wat heeft u dan bereikt?

“In mijn tijd als rector heb ik voornamelijk mogen oogsten. We hadden grote wijdingsjaren tussen 1992 en 1997. Dat is niet mijn verdienste maar ik heb natuurlijk hele mooi jaren gehad. In 1995 en 1996 hadden we zelfs wijdingsklassen van 7 priesters. Op een gegeven moment had ik zelfs 44 studenten op de lijst staan.”

Wat is er toch gebeurd sindsdien?

“Mensen werden op een gegeven moment gewijd en er kwamen geen nieuwe studenten voor terug. Het is een probleem dat überhaupt speelt in katholiek Nederland. In de jaren ’80 waren er op een gegeven moment 200 priesterkandidaten. Nu zijn er in Nederland maar 100 priesterkandidaten, die niet eens allemaal uit de eigen geloofsgemeenschap afkomstig zijn. Die feitelijk halvering laat de kwetsbaarheid van de kerk zien. Het feit dat ruim viereneenhalf miljoen doopleden maar 100 priesterkandidaten kan aanleveren zegt iets over de vitaliteit van die geloofsgemeenschap.”

“Wat ook meespeelt is het feit dat er een ‘reservoir’ was uit de tijd dat er geen priesteropleiding waren. Die generatie heeft inmiddels de opleiding afgerond.”

Actueel
Ariënskonvikt gesloten
23 juli Met ingang van 1 augustus 2010 sluit het Ariënskonvikt, de priesteropleiding van het aartsbisdom Utrecht en het bisdom Groningen-Leeuwarden, officieel zijn deuren. Het konvikt wordt opgevolgd door het Ariënsinstituut, onderdeel van de aartsdiocesane curie, dat de verschillende onderdelen rond roeping, vorming en toerusting van toekomstige priesters, diakens en pastoraal werkenden zal behartigen. Lees verder >>

2 juli
Sluiting Ariënskonvikt

15 juni
Voor de laatste keer met het Ariënskonvikt naar Rome

29 mei
Twee nieuwe priesters voor het Aartsbisdom

10 mei
Ariënskring op bezoek bij de Tiltenberg

26 april
Alfons Ariëns 150 jaar !

16 april
Leo Feijen over geloofscommunicatie

13 april
Oplossing voor studenten uit Breda

4 april
De Heer is waarlijk verrezen! Alleluia!

2 april
Wij aanbidden U Christus en wij loven U

© Ontwerp en techniek Digital Wingz 2003