9 september 2010 23e week door het jaar

Lezing pastoor Woorts over iconoclasme

Home > Nieuws

1 JULI 2006 - Op de convicstdag hield pastoor Herman Woorts, oud-student van het Ariënskonvikt, docent iconologie en pastoor op de Utrechtse heuvelrug, een lezing over het iconoclasme en de theologische fundamenten van de beeldenverering. Aangezien er veel vraag is naar de volledige tekst krijgt u die bij deze. Met dank aan pastoor Woorts.

I. Actualiteit

Oranje is weer thuis, maar andere landen zijn nog volop in de race.
Voordat het WK begon, was er op tv een documentaire over het Braziliaanse elftal; daarin was te zien dat de spelers gezamenlijk en apart bidden. Van ons Oranje heb ik dat niet gezien. Misschien hadden ze het moeten doen …

Dat er door spelers gebeden wordt, heeft de organisatie van het WK een oecumenische kapel doen bouwen in het Olympisch stadion in Berlijn.
Kosten: 272.000 euro. De wanden zijn met bladgoud bedekt, waarin bijbelteksten zijn verwerkt en een eenvoudig kruisteken.

De inwijdingsceremonie werd geleid door een luthers-evangelische en een rooms-katholieke bisschop. Vlak voor de inwijding was er een klein incident. Wat was het geval? De bisschoppen gaven tezamen een persconferentie. De r.k. bisschop uitte toen de wens dat de kapel van het WK verrijkt zou worden met een icoon van Maria, met name voor de spelers afkomstig uit Oost-Europa en Zuid-Europa.
Aan de Lutherse bisschop werd daarop de vraag gesteld of hij dan een exemplaar van Luthers catechismus bij de Maria-icoon zou leggen, waarop deze antwoordde dat hij de kapel in deze vorm volmaakt vindt. De icoon is er – voor zover ik weet – niet gekomen.

In het land waar de Reformatie is opgekomen is dat nog te plaatsen,
maar voor bijvoorbeeld Oosterse christenen moet dit heel vreemd zijn.
Die zijn het tweede oecumenische concilie van Nicea uit het jaar 787 niet vergeten en ook niet de laatste Griekse kerkvader Johannes van Damascus.
Johannes van Damascus is overigens een van de patroonheiligen van de theologiestudenten, dus op een ‘convictsdag’ mag hij het speelveld zeker betreden.

Dit tweede oecumenisch concilie van Nicea uit 787 – dat het zevende en laatste is dat zowel door de kerken van het Oosten als het Westen algemeen aanvaard is, en Johannes van Damascus hangen samen met de beeldenstrijd die er in de Oosterse kerken heeft gewoed in de 8e en 9e eeuw. Daar gaat deze lezing grotendeels over.

Eerst volgt een schets van de ontwikkeling van de christelijke voorstellingen en de rol daarvan, want het iconoclasme, de strijd tegen godsdienstige afbeeldingen en de verering daarvan komen niet uit de lucht vallen.

Na deze schets ga ik in op het iconoclasme, de theologie van het beeld van Johannes van Damascus en het tweede concilie van Nicea dat van grote invloed is geweest op de verhouding geloof en beeld, tot op de dag van vandaag.

Het gaat mij erom bouwstenen aan te reiken in ons denken over geloof en beeld. De verhouding tussen die twee is nooit een vanzelfsprekende geweest en meermalen bron van conflict of misverstanden. De oecumenische kapel van het WK is slechts een voorbeeld.

Je kunt het in je parochie tegenkomen; wanneer je mensen die niet katholiek zijn een rondleiding geeft door de parochiekerk of daar waar ruimtes gedeeld worden in een oecumenisch kerkcentrum of een kapel in een ziekenhuis of instelling.
Van pastores mag verwacht worden dat we in dergelijke zaken een inhoudelijke bijdrage leveren.

Als het gaat om geloof en beeld zijn er maar al te vaak misverstanden.
Zo stond zaterdag in het Utrechts Nieuwsblad een artikel over de ommedracht die afgelopen zondag in IJsselstein is gehouden met het beeldje van Onze Lieve Vrouw van Eiteren. De berichtgeving in de krant vermeldde dat het beeldje door veel gelovigen wordt “aanbeden”. Iedere katholiek weet dat wij geen beelden of beeldjes aanbidden. Over dit soort misverstanden zeggen Johannes van Damascus en Nicea II belangrijke dingen. Daarover straks meer.

II. Ontwikkeling van de christelijke voorstellingen

Eerst iets over de ontwikkeling van de christelijke voorstellingen en hun rol.
De eerste christenen leefden in de verwachting van de spoedige wederkomst van de Heer. Er was veel onzekerheid, mede vanwege de vervolgingen, dan hier, dan daar. Uiting geven aan hun geloof in muurschilderingen of anderszins, dat had bepaald geen prioriteit. Integendeel, zeker niet bij de christenen die voortkwamen uit het Jodendom. Zij kenden maar al te goed het verbod op afbeeldingen zoals de Wet van Mozes dat voorschrijft.

Het Romeinse Rijk was bezaaid met beelden van goden, godinnen en van de keizer. De christenen weigerden deze beelden en keizersportretten goddelijke eer te brengen en hadden een afkeer van deze kunst. Christenen hadden geen beeld nodig. Sint Paulus spreekt over de ‘geestelijke eredienst’ (Rom. 12, 1) die ons past. Van de eerste twee eeuwen van het Christendom kennen wij geen godsdienstige afbeeldingen.

Echter, de groep christenen die voortkwam uit de Hellenistische wereld werd steeds groter. De weerstand tegen godsdienstige voorstellingen werd steeds minder. Daarbij, de afkeer van Joden van afbeeldingen was niet algemeen. Er waren Joden die leefden in de Grieks-Hellenistische wereld die afbeeldingen hadden laten aanbrengen in hun synagoge. Zo kennen wij de afbeeldingen van de synagoge van de voormalige Romeinse vestingplaats Doura Europos uit de eerste helft van de derde eeuw. Daar zijn Bijbelse figuren te zien. Deze voorstellingen bevinden zich momenteel in Damascus.

Doura Europos is om nog een andere reden heel belangrijk en wel
vanwege de vondst van een christelijke huiskerkje, met baptisterium en al.
Het moet dateren van rond het jaar 230. Er waren fresco’s aangebracht.
We zien Jezus die over het water naar Petrus loopt en hem de hand reikt;
de lamme die weer loopt en zijn bed draagt; de drie vrouwen op paasmorgen op weg naar het graf, in het wit gekleed met een kaars in de hand, zoals de dopelingen in de paasnacht.

Deze fresco’s zijn te zien in Yale University in New Haven bij New York.
Deze voorstellingen die tot de oudste van de christenheid behoren, willen vooral het heilshandelen van God in Jezus Christus tot uitdrukking brengen,
zijn heil voor ons dat wij ontvangen in het Doopsel.

De schroom om afbeeldingen te maken werd langzaam maar zeker overwonnen.
De christenen bedienden zich in eerste instantie van voorstellingen die overal
vertrouwd waren, symbolische voorstellingen.
Zo werd de herder met een lam – voor de antieke mens een ideaalbeeld van de menslievendheid – een beeld voor DE Goede Herder die Christus is.
De leraar of de filosoof werd door de christenen gezien als een verwijzing naar DE leraar van Godswege: Christus, de Logos, de eeuwige wijsheid.
De orante, de overledene met de handen geheven – als beeld van de vroomheid ten opzichte van de goden – werd door de christenen gezien als de mens die zijn redding verwacht van de Heer en als beeld van de overledene die nu is IN PACE, in de vrede van Christus.

Dat de christenen zich in eerste instantie bedienden van profane voorstellingen die ze een eigen inhoud gaven, wordt mooi geïllustreerd door de vraag die aan Clemens van Alexandrie werd voorgelegd, namelijk welke emblemen een christen op zijn zegelring mocht laten aanbrengen. Zijn antwoord luidde:
geen afgoden, geen erotische voorstellingen, maar neutrale zoals een duif, een vis, een visser, een schip, een scheepsanker, kortom symbolen die verwijzen naar de redding door Christus.

Een belangrijk jaar voor de verdere ontwikkeling van de christelijke voorstellingen is 313, als keizer Constantijn de christenen geloofsvrijheid geeft en hen vanaf dan gaat begunstigen, o.a. door basilica’s te bouwen.

Na de kerkvrede in 313 komen nieuwe voorstellingen naar voren, ontleent aan de Evangelien. Gevolg is dat de symbolen en de symbolische voorstellingen worden afgezwakt. Het accent gaat verschuiven; gaan de oudste voorstellingen over de redding door Jezus, steeds meer gaat het, zal het gaan om zijn persoon.
Hij wordt – ook als gevolg van de oecumenische concilies – in de voorstellingen steeds meer de Heer die aanbeden wordt, zittend op een troon, met een hofhouding. Steeds minder contact heeft Hij met de mensen om Hem heen.
Hij vraagt om aanbidding. De hele iconografie van de keizer gaat over op Christus. Hij is dan niet meer de eenvoudige herder met een korte tuniek die een schaap torst, maar een keizerlijke figuur met een purper gewaad en een kostbaar Evangelieboek in de hand, met edelstenen versierd.

We komen nu aan in de zesde eeuw, de tijd van een andere belangrijke keizer: Justinianus de Grote, de bouwheer van de immense Hagia Sophia in Constantinopel.

Een volgende belangrijke stap wordt gezet, namelijk de voorstellingen gaan een object van verering, van cultus worden. De afbeeldingen van de Heer en van Maria, de martelaren en de andere heiligen gaan vereerd worden omdat de gelovigen door de afbeeldingen Christus of de heilige aanwezig wisten.

Deze voorstellingen waren groots te zien in de absis en wanden van de basilica’s. Ravenna bewaard nog de prachtigste kerken, baptisteria en mozieken uit deze periode; je vergeet ze nooit als je ze hebt mogen aanschouwen.

Vanaf de zesde eeuw gaat de keizer er voor zorgen dat zowel relieken als iconen een publieke functie krijgen. Zo verschijnt Christus op munten, tezamen met het portret van de keizer. Bepaalde relieken en iconen worden ‘palladia’ oftewel de beschermers van het leger en van het Rijk. Ze werden rondgedragen om het Rijk tegen aanvallen van buitenaf te schermen. De verering van deze ‘palladia’ en andere iconen konden bedenkelijke vormen aannemen, waardoor verzet op den duur niet kon uitblijven.

Dat de iconen een plaats kregen in het kerkgebouw waar ze konden worden vereerd, dat is van grote invloed geweest op het geloofsleven van de christenen. Maar kenden zij dan niet meer het gebod uit Exodus: “Gij zult geen godenbeelden maken, geen afbeelding van enig wezen ... Gij zult u voor hen niet ter aarde buigen en hun geen goddelijke eer bewijzen.” (Exodus 20, 4-5). En kenden zij niet meer het woord van de apostel Paulus uit de Romeinenbrief: “De majesteit van de onvergankelijke God hebben zij verruild voor de afbeelding van de gestalte van een sterfelijk mens ...” (1, 23).

Dat de iconen in de zesde eeuw in de kerken ter verering opgesteld gingen worden, is niet alleen vanwege de Schrift een opvallend feit, maar ook vanwege de liturgie die er in de basilica gevierd werd. Men kwam immers samen rond het Woord en de Tafel van de Heer om de heilsgeheimen te vieren en te ontvangen. Dat was nu juist het specifiek christelijke, in tegenstelling tot de heidense godsdiensten die het godenbeeld centraal stelden en de cultus daaromheen lieten afspelen. Het was toch ook vanwege hun resolute weigering van de verering van de keizerportretten dat vele christenen de marteldood waren gestorven?!
Hoe kan het dan dat er toch een christelijk cultusbeeld in de kerk kon komen?

Zoals al eerder is opgemerkt: niet iedereen stond afwijzend tegenover godsdienstige voorstellingen.

Zo vroeg – we gaan weer terug in de tijd - prinses Constantia, de dochter van keizer Constantijn, in de vierde eeuw aan bisschop Eusebius van Caesarea om een portret van de Heer. Het feit dat zij zo’n verzoek deed zegt genoeg.
Eusebius antwoordde overigens dat christenen zo’n afbeelding van Christus niet kennen en dat wij ook niet de indruk moeten wekken – zoals de afgodendienaars – hun God in een beeld rond te dragen, want - zo betoogde Eusebius – de goddelijke natuur is niet af te beelden, en de menselijke natuur is het niet waard afgebeeld te worden.

Maar, twee eeuwen later – en wat zijn nu twee eeuwen op de hele kerkgeschiedenis?! – zal men in het Byzantijnse rijk in processie met een icoon van Christus rondtrekken en zullen iconen worden vereerd. De volksvroomheid bleek sterker. De iconen en de verering ervan zijn spontaan ontstaan en zijn niet het gevolg geweest van een theologische bezinning. De formulering van de leer komt vaak pas na de praktijk.

III. Acheiropoiieten

Voordat ik ga spreken over het iconoclasme en de theologie van het beeld en Nicea II, zal eerst nog eerst iets gezegd moeten worden over de zogeheten
‘acheiropoiieten’; dat zijn de beeltenissen, de voorstellingen die niet door mensenhanden zijn gemaakt, met andere woorden die zijn van hemelse komaf.

Overigens zij hier opgemerkt dat het hier gaat om voorstellingen die vlak zijn, paneelschilderingen. Het plastische cultusbeeld, het beeld dat van alle kanten vorm is gegeven en waar je omheen kunt lopen, dat plastische cultusbeeld wordt nog altijd gemeden. Het is pas in de 10e eeuw dat in de Westerse christenheid er plastische beelden ontstaan, zoals bijvoorbeeld het oudste corpus van Christus aan het kruis - het zogeheten ‘Gerokruis’ in de Dom van Keulen - en het oudste
Mariabeeld – die ‘goldene Madonna’ van Essen. Neen, het gaat in de zesde eeuw nog altijd om vlakke schilderingen, waar wij veelal het woord ‘icoon’ mee identificeren.

De christelijke iconen gaan terug op de laat antieke portretten van de overledenen – beroemd zijn de Egyptische dodenportretten van Fajoem – alsook de portretten van de keizer. Het voordeel van die keizersportretten was dat ze transportabel waren en overal in het Romeinse Rijk gemakkelijk ter verering opgesteld konden worden. De iconen van Christus en de heiligen gaan op deze keizersportretten terug.

De Christus-iconen gaan ook terug op de zogeheten ‘insignia Christi’,
tekens van Christus. Vierden de christenen vanaf het begin de nabijheid van de Heer in de verkondiging van het Woord en de tekenen van de liturgie, van de sacramenten, vanaf 400 ging men ook bepaalde objecten benutten om de aanwezigheid van de Heer te duiden; bijvoorbeeld een troon met daarop een kruis bezet met goud en edelstenen of een Schriftrol. We weten van de zittingen van het concilie van Efeze in 431 dat de concilievaders een evangelieboek op een lege troon plaatsten. En dat zal zeker geen pocketbijbel geweest zijn zoals die op onze boekenplanken staan of op ons bureau ligt. Dat zal vast een rijk versierd boek zijn geweest, als teken van de Heer die de vergadering voorzat. De iconen van Christus, de portretten van Hem zijn op een lijn te stellen met deze tekens waardoor men Christus aanwezig wist.

Voor de acceptatie van de Christus-iconen zijn de legenden van essentieel belang, de legenden van – daar heb je ze weer – de ‘acheiropoiieten’, de niet door mensenhanden gemaakte beeltenissen van de Heer.

Het meest beroemd is de legende van het Hagion Mandulion, ook wel de Abgar-beeltenis genoemd. Veelvuldig is deze Christusbeeltenis nog te zien in de Oosterse kerken namelijk het gelaat van Christus, zonder hals en schouders, zijn haren keurig in een scheiding die geen kapper verbeteren kan, en de baard van Jezus mooi uitlopend in twee punten.

Deze icoon wordt gezien als het archetype van de Christus-icoon.
De legende vertelt dat koning Abgar van Edessa – ziek als hij was – een bode naar Jezus zou hebben gestuurd met het verzoek om genezing. Jezus zou zijn gelaat in een doek hebben gedrukt en deze doek met zijn afbeelding – niet door mensenhanden gemaakt dus – naar de koning hebben gestuurd waarop deze genas. U begrijpt, grote verering viel het Hagion Mandulion ten deel in Byzantium.

Helaas heeft deze afbeelding het niet overleefd. Niet door het iconoclasme,
maar door brute rooms-katholieken, oftewel de kruisvaarders die in 1204 Constantinopel plunderden.

De opmerkzame hoorder – en die zijn er gelukkig veel hier vanmiddag –
die heeft inmiddels vast al gedacht aan de doek van Veronica in onze Westerse kruiswegstaties; ook een niet door mensenhandengemaakte afbeelding van Jezus. Veronica, in de Schrift komt zij niet voor. In mijn vorige parochie herinnerde altijd wel jongeren van de Vrij-gemaakt gereformeerde gemeente mij daar aan die elk jaar een rondleiding door de parochiekerk wilden i.v.m. hun catechesatie. Veronica, inderdaad, ze komt niet voor in de Schrift. Het gaat om haar naam: Vera Icona, waarachtig beeld. In de St. Pieter te Rome, in een van de pijlers van de koepel wordt deze doek bewaard en in de veertigdagentijd nog getoond aan het gelovige volk, niet te verwarren met de lijkwade van Turijn.

De wonderbaarlijke oorsprong van de Christus-iconen, dames en heren,
de legendes die de oorsprong ervan willen vertellen, hebben een grote invloed gehad op de verering en verspreiding van de iconen, dat begrijpt u.
De historische feiten en de vrome legenden zijn sterk met elkaar vervlochten.
De betekenis van de verhalen van de niet door mensenhandengemaakte iconen
ligt zeker hierin dat men in de tijd dat iconen en de verering ervan ontstonden,
dat men zocht naar een rechtvaardiging van het cultusbeeld.
Door deze legenden wilde men benadrukken dat de icoon van Christus en de heiligen wezenlijk anders was dan het antieke godenbeeld dat wel door mensenhanden was gemaakt. En deze goden en hun voorstellingen zijn ontsproten aan de fantasie, terwijl Christus en de heiligen zelf aan de oorsprong staan van hun beeltenis.

De verering van de iconen werd nog eens versterkt doordat er wonderden gebeurden of dat in elk geval wonderverhalen de ronde deden. Deze wonderverhalen versterkten het geloof dat de Heer door zijn beeltenis heilzaam aanwezig is.

IV. Iconoclasme

Nu dan over het iconoclasme.
De volkse aard van de verering van de iconen, bracht met zich mee dat vereerders geen of nauwelijks meer onderscheid maakten tussen degene die afgebeeld was en het beeld, de icoon.Grote vereerders van de iconen waren de monniken. Zij waren een belangrijke factor in de Oosterse kerken en in het Byzantijnse rijk.

In dat Byzantijnse rijk veroorzaakte de iconen en de verering een enorme crisis
die heeft geduurd van 726 tot 843 (dus meer dan honderd jaar).De vereerders van de iconen worden ook wel genoemd: iconodulen (dat woord komt u overigens niet tegen in de ‘Dikke van Dale’ of bij ‘Google’) Iconodoul,het komt van het Griekse ‘doulos’, slaaf. Liever zou ik het niet vertalen als beelden-slaaf maar als beelden-vereerder.De tegenstanders zijn de iconoclasten (dit woord staat wel in de ‘Dikke van Dale’, en natuurlijk bij ‘Google’). ‘Iconoclast’ komt van het Griekse ‘klaoo’, breken, beeldenbreker.

Beeldenvereerders en beeldenbrekers, het is wel duidelijk dat het om twee
onverzoenlijke partijen gaat. Tot de icondulen behoorden vooral de monniken en het gelovige volk en theologen als Johannes van Damascus. Tot de iconoclasten behoorden vooral de keizer, de hoge ambtenaren en een deel van de seculiere clerus.

De oorsprong van het iconoclasme is niet helemaal duidelijk. Er blijven allerlei vragen onopgelost in deze. Omdat bij het tijdelijk herstel van de verering van de iconen in het jaar 787 en bij het definitief herstel van daarvan in het jaar 843 de geschriften van de iconoclasten werden vernietigd, wordt ons zicht op de doctrinaire achtergrond van het iconoclasme verzwakt.

Het iconoclasme werd ontketend toen in 726 keizer Leo III openlijk verklaarde dat hij tegen de verering van godsdienstige afbeeldingen was.Op bevel van de keizer werd een icoon van Christus bij de poort van het keizerlijk paleis verwijderd en vernietigd. De officier die dit moest doen heeft het overigens niet overleefd: de ladder waarop de man stond werd door vrome vrouwen wegtrokken en ze hebben de man toen gelijk maar naar een andere wereld geholpen

De vernietiging van deze Christus-icoon in opdracht van Leo III had een oproer in de hoofdstad Constantinopel tot gevolg. Hierdoor wachtte de keizer vier jaar voordat hij een edict uitvaardigde, waarin hij de beeldenverering verbood en de vernietiging van alle godsdienstige afbeeldingen in heel het Byzantijnse rijk gelastte. Zij werden uit de kerken en huizen gehaald en in het openbaar verbrand.
Christus verdween van de munten, alleen het portret van de keizer bleef erop staan. De iconencultus die de keizer was gaan delen met Christus en de heiligen kwam voortaan weer alleen aan de keizer toe.

Veel iconodulen, de voorstanders van de beeldenverering, werd verminkt of verbannen, soms gedood, vooral monniken. Wie weigerde mee te werken kon de neus of de oren worden afgesneden. Partriarch Germanos, die weigerde het keizerlijk edict van 730 te ondertekenen, werd gedwongen af te treden. De paus te Rome veroordeelde het edict, maar dit had geen invloed op de keizer.

Waarom heeft keizer Leo deze beeldenstrijd ontketend?
Was het louter een religieuze strijd of had het ook met politiek te maken. Dat laatste zou je kunnen verwachten, want hoe komt het dat juist een keizer zich er zo druk over maakte? Zeker, geloof en politiek waren in die dagen niet te scheiden en de rol van de keizer was ook een godsdienstige. Maar wat bewoog Leo III?

Er waren politieke redenen. Voordat Leo keizer werd, was hij een aanvoerder van een Anatolische troepenmacht die in opstand was gekomen tegen keizer Theodosius. Hij had zich tot imperator laten uitroepen. Maar de Arabieren in het Oosten die de Islam aanhingen moest hij op afstand houden, zij die vijandig stonden ten opzichte van de verering van godsdienstige afbeeldingen.

Een andere politieke reden was dat de macht van de monniken in het Byzantijnse rijk groot was en door het iconoclasme hoopte de keizer, en later zijn zoon, de macht van de monniken te breken. Het Byzantijnse rijk was niet echt een eenheid, meer een losse band van verschillende steden. Elke stad had wel een eigen icoon, een heilige monnik, een eigen religieus centrum. Het vernietigen van de iconen en het breken van de macht van de monniken stond terdege in dienst van een centralisatie van het Rijk die Leo beoogde.

Historici hebben geprobeerd om de vijandige houding van de keizer te verklaren uit zijn Oosterse afkomst. Leo was geboren in de Noordsyrische stad Germanica, waar generaties lang bisschoppen van de monofysitische richting benoemd waren. Deze stad stond sterk onder de invloed van de Islam die steeds meer terrein won. Tevens is beweerd dat de keizer Joodse invloeden had ondergaan.
Hiermee zou worden gezegd dat Byzantijns zonder meer welwillend staat tegenover het beeld en Semitisch zonder meer afwijzend. De afbeeldingen in de synagoge van Doura Europos hebben wel aangetoond dat de houding binnen het Jodendom t.o.v. afbeeldingen pluriform was. En dat geldt ook voor de Islam.
En dat gold ook voor de Monofysieten. De beroemde Rabula-codex uit het jaar 586 met een van de oudste getuigenissen van de christelijke voorstellingen in boeken is van monofysitische herkomst.

De oorzaak van het iconoclasme moet zeker ook, misschien wel allereerst, gezocht worden in het feit dat het een godsdienstig verschijnsel is, ondanks het feit der er ook politieke en sociale factoren een rol speelden. Het is een strijd om de ‘vera religio’ de aanbidding in geest en waarheid. Dat tonen ons de enkele schriftelijke getuigenissen van de iconoclasten die de geschiedenis hebben overleefd.

De keizers die vijandig stonden tegenover beeldenverering voelden zich geroepen de ware eredienst te herstellen, zoals Mozes het godsvolk voorging.
Keizer Leo beschouwde zichzelf als een nieuwe priester-koning zoals Hizkia
die van God de opdracht had gekregen Zijn huis van alle afgoden te zuiveren.
Hij wilde het geloof vrijwaren van beeldenverering die zeker ook idolatrische uitwassen kende. In zijn ijver de iconen te vernietigen speelde mee dat keizer Leo de zware aardbeving van 726 opvatte als een goddelijke toorn en ook de opmars van de Islam en het verval van het Byzantijnse Rijk zag hij als een straf van God vanwege de iconen en de verering daarvan.

Toen, als door een wonder, Constantinopel bevrijd werd van de vloot van de arabieren en zowel keizer Leo als zijn zoon Constantijn opzienbarende militaire successen boekten in hun strijd tegen de Islam, werd dit door hen als een bevestiging gezien dat er op de strijd tegen de beelden en de verering daarvan goddelijke zegen rustte.

Steeds meer bisschoppen raakten hiervan ook overtuigd en zij vergeleken de keizer met de apostelen die door Christus uitgezonden waren om overal de dienst van de afgoden te verwoesten. Zij veroordeelden de aanhangers van de beeldenverering en excommuniceerden de leidende figuren ervan, met name hun grootste theoloog Johannes van Damascus. Kerk en Rijk moesten naar een zuivere gedaante terugkeren. In het jaar 754 kreeg het iconoclasme kerkelijke bevestiging van het concilievan Hiereia, met maar liefst 338 bisschoppen.

Een belangrijke mijlpaal was dit concilie voor de iconoclasten, maar zij hadden hierbij wel een probleem. In hoeverre waren de beeldenstormers in staat het gewone volk ervan te overtuigen dat de verering van de iconen zonder meer afgodendienst was?! En was alles wat aan religieuze voorstellingen de afgelopen eeuwen was voortgebracht te veroordelen?!

Je had mensen die de middenweg bewandelden. Zij waren niet tegen voorstellingen maar wel tegen de verering ervan, maar dat was niet de lijn van de keizer. Constantijn V, Leo’s zoon en opvolger, sloeg door in zijn strijd en verwierp ook de verering van relikwieen en heiligenverering sowieso. Ja, zelfs het aanroepen van Maria, de Moeder Gods, verwierp hij.

Nogmaals, de iconoclasten hadden een probleem: hoe uit te leggen dat de afbeeldingen van Christus, de Moeder Gods en van de heiligen op hetzelfde niveau stonden als de heidense afgodsbeelden? En wat ook lastig te beantwoorden voor de iconoclasten was: waarom mag een beeltenis van Christus en de heiligen geen eer gebracht worden, maar moest er wel eer gebracht worden voor de beeltenis van de keizer?!

V. Theologische fundamenten

In de beeldenstrijd kwam steeds meer naar voren dat er een theologisch fundament moest komen voor de iconen en de verering ervan.
De voorstanders daarvan, de iconodulen, brachten een christologisch fundament naar voren: de menswording van God in Jezus Christus heeft een volstrekt nieuwe situatie gebracht. Door de incarnatie is God als mens zichtbaar geworden
En waarom mocht Jezus – de mensgeworden God - die door Zijn leerlingen gezien werd, dan niet afgebeeld worden?!

Zowel voor- als tegenstanders van de beelden geloofden dat Gods tegenwoordigheid haar onovertroffen hoogtepunt had bereikt in de incarnatie van Gods Zoon. Het ging ten diepste om de vraag naar Gods tegenwoordigheid.

Voor de iconoclast keizer Constantijn V, voor hem is de Eucharistie de ware icoon van Christus. Het brood dat wij ontvangen in de Eucharistie is de icoon van Zijn lichaam.

Deze visie op de Eucharistie stond bij geen van de partijen ter discussie,
maar de vraag was: betekent dit dat alleen de materie van de Eucharistie in
aanmerking komt voor de tegenwoordigheid van God in deze wereld of kunnen ook andere zaken de tegenwoordigheid van God bevatten?

De kernvraag was: in hoeverre is het gerechtvaardigd om beelden, iconen te betrekken in het geheel van de sacramentele genadebemiddeling?
Constantijn V fundeert het icoon-karakter van de Eucharsitie als volgt: alleen dat brood dat door de consecratie verheven wordt van iets dat door mensenhanden is gemaakt, wordt tot iets dat niet door mensenhanden is gemaakt. Het brood wordt tot een eucharistische icoon van Christus, omdat het door een goddelijke kracht wordt ontheven aan wat mensen vervaardigen en omgevormd tot een gave die door God is bewerkt.

Voor de iconoclasten kon een door mensenhanden gemaakte afbeelding Christus niet omvatten. Het is voor hen onmogelijk de persoon van Christus door middel van menselijke kunst present te stellen.

Het gaat hen dus niet om een vijandige houden t.o.v. kunst, maar om de eisen die zij stellen aan godsdienstige afbeeldingen: deze moeten sacramenten van Gods tegenwoordigheid zijn. Volgens de tegenstanders van de iconen kan alleen de Eucharistie daaraan beantwoorden en niet een door mensenhanden gemaakt beeld van Christus. De iconoclasten waren daarbij van mening dat het echte beeld van dezelfde natuur is als de afgebeelde zelf. De iconodulen ontkenden dit. Volgens hen verschilt de afbeelding in wezen van de afgebeelde.

VI. Johannes van Damascus

Het wordt nu tijd om Johannes van Damascus op te voeren, onze held,
althans als ik er van uit mag gaan dat u, evenals ik, een iconodoul ben en geen iconoclast, maar misschien is deze veronderstelling niet terecht? …
Voordat zijn argumenten voor de beelden en de verering daarvan gegeven worden, eerst iets over deze laatste Griekse kerkvader, de grootste theoloog van zijn tijd, want Johannes Damacenus is in de Rooms-Katholieke Kerk geen bijzonder bekende heilige. Je komt zijn afbeelding niet of nauwelijks tegen in onze Rooms-Katholieke kerken. De enige afbeelding die ik van hem ken in een Rooms-Katholieke kerk, is een 17de eeuws fresco van Guido Reni in de Cappela Paolina van de Santa Maria Maggiore te Rome. Dat hij juist daar is afgebeeld, zal samenhangen met het feit dat in die kapel de beroemde 6de eeuwse icoon van Maria hangt: de salus populi Romani. Een van de oudste iconen ter wereld, nog van voor het iconoclasme.

Johannes van Damascus is bij ons geen bekende heilige en dat ondanks het feit dat paus Leo XIII Johannes van Damascus in 1890 tot kerkleraar heeft uitgeroepen. Theologen zijn blijkbaar niet bedoeld om uit te groeien tot volksheiligen, uitzonderingen daargelaten. Dat geldt overigens ook voor de meeste bisdompriesters …

In de Orthodoxe kerken is Johannes veel bekender dan in de Rooms-Katholieke kerk en je komt hem geregeld tegen in Orthodoxe godshuizen, ook al vanwege het feit dat hij de patroonheilige is van de icoonschilders. Meestal wordt hij afgebeeld als een oude man met spitse baard, vaak met een tulband als hoofdbedekking, schrijvend of met afgehakte handen. Waarom dat is, zal zo wel duidelijk worden.

Johannes – vanaf nu noem ik enkel zijn vooraam - is rond 690 in Damascus ter wereld gekomen als als Yanan Ibn Mansur. Hij was van hoge komaf , maar verliet Syrië om zich terug te trekken in het klooster van St. Sabas van Mar-Saba bij Jeruzalem Vanuit dit klooster verzette hij zich tegen de iconoclasten. Keizer Leo III, niet mals, liet de handen van onze heilige afhakken, zo is de overlevering. Gelukkig was de hemel Johannes goedgezind en Maria genas hem door een wonder.

Johannes schreef drie verhandelingen tegen de iconoclasten die bekend zijn geworden onder de titel “Tegen hen die de heilige iconen smaden”.
Johannes brengt hierin naar voren dat de iconen als zichtbare tekenen van de heiliging van het stoffelijke, dat dat mogelijk is geworden door de menswording van God in Jezus Christus. De onzichtbare en onbeschrijfelijke God is in het vlees zichtbaar geworden. Zo zijn de afbeeldingen van Christus naar zijn zichtbaar en menselijk aspect weergaven van God. Johannes maakt een wezenlijk onderscheid tussen de aanbidding die alleen aan God toekomt en de verering die ten deel valt aan de afbeeldingen van Christus en de heiligen.Hij zette uiteen dat de afbeelding nooit van dezelfde substantie als het origineel kan zijn. De betekenis van de icoon is dan ook diens verwijzing naar de afgebeelde. Hij beriep zich op Plato’s leer dat de hele zichtbare werkelijkheid beeld is van de eeuwige, oorspronkelijke idee.

In zijn verhandeling “Tegen hen die de heilige iconen smaden” zet Johannes in 42 punten zijn gedachten uiteen. Enkele gedachten van hem volgen nu.

Volgens Johannes zet de tegenstander van God, Satan, alles op alles om de Kerk van Christus in verwarring te brengen. Sommigen zijn opgestaan die beweren dat wij niet moeten afbeelden en ter beschouwing en eer, ter bewondering en navolging voor ogen te stellen datgene wat Christus tot onze verlossing wonderbaar heeft gedaan en geleden, noch hoe de heiligen zich jegens de Tegenstander manmoedig hebben gedragen. De Tegenstander misgunt ons de gelijkenis van onze Gebieder te zien en Zijn afdaling tot ons te bewonderen en daardoor te worden geheiligd.

Over het beeldenverbod van het Oude Testament zegt hij, in navolging van de apostel Paulus, dat God onder verschillende omstandigheden en op velerlei wijze had gesproken. Want een kundig geneesheer geeft niet eenzelfde soort geneesmiddel aan iedereen onder alle omstandigheden, maar dient toe wat nodig is en dienstig. Het een geeft hij voor een onmondig kind, het ander voor een volwassene. Volgens Johannes had God de Geneesheer verboden om beelden te maken aan hen die nog onmondig waren en leden aan de ziekelijke neiging tot afgoderij. Wij christenen vereren de Schepper die is afgedaald naar een schepsel, die mens geworden is om onze natuur luister te geven en deelachtig te maken aan de goddelijke natuur.

Naar aanleiding van Galaten 3 zegt Johannes: “Wij zijn niet meer onder een tuchtmeester, omdat wij het vermogen tot onderscheid van Godswege ontvangen hebben en weten, wat het is, dat wordt afgebeeld, en wat het is, dat niet in een beeld kan worden omschreven. God heeft het gezien-worden willen aanvaarden.
Zijn afdaling mag uitgebeeld worden, in woord, in kleuren, in boeken en in schildering. Ze hebben geen andere bedoeling dan God te verheerlijken en te strekken tot ons heil, en tot de roem van de heiligen die God wil verheerlijken. Wij mogen de beelden vereren en liefhebben, en met ogen, lippen en hart begroeten, zowel de iconen van Christus als Maria en de andere heiligen; sinds de godheid met onze natuur onvermengbaar is verbonden, werd onze natuur werkelijk verheerlijkt; en daarom worden voor de heiligen iconen geschilderd. Zij worden begroet uit genegenheid voor de afgebeelde.
Door de lichamelijke aanschouwing komen wij tot de geestelijke schouwing.

Voor Johannes is een beeld een gelijkenis, een afdruk van iets;
het toont in zich datgene wat het afbeeld. Het beeld verschilt van het afgebeelde.
God is naar zijn wezen volstrekt onlichamelijk. Echter God wilde niet dat wij voltrekt onwetend zouden blijven omtrent het onlichamelijke en Hij omkleedde dat met gestalten en figuren en beelden. Zou ik dan niet – aldus Johannes – een beeld maken van Hem die omwille van mij gezien is in de natuur van ons vlees?
Zal ik Hem niet vereren en eer bewijzen door verering van en eerbetoon aan Zijn beeld? Ik val niet op de knieen voor de icoon, maar door middel van de icoon breng ik eer aan God. Om Hem gaat het. Met de heiligen samen eren wij God. Door een icoon te vereren stellen wij een teken van onderwerping.
Wij vereren de iconen zo, dat wij geenzins stof verering bewijzen maar, door middel daarvan, degenen die daarop worden afgebeeld. Want de eer aan het beeld gaat door tot aan de afgebeelde. Tot zover Johannes van Damascus.

Op het iconoclastisch concilie van 754 was Johannes geexcommuniceerd.
Het was keizer Constantijn V geweest die dit concilie bijeengeroepen had in Constantinopel. Maar de orthodoxen noemden dit concilie de ‘synode zonder hoofd’ omdat geen enkele patriarch aanwezig was; zowel de patriarch van het Westen, de paus, als de patriarchen van het Oosten hadden geen vertegenwoordigers gezonden en de zetel van Constantinopel was toen vacant.

De opvolger van Constantijn V was Leo IV (775-780). Ook hij was een iconoclast maar hij voerde een gematigd beleid. De invloed van zijn vrouw Irene zal hier aan hebben bijgedragen, want zij was een vurig vereerster van iconen.
Onder Leo IV hield de vervolging van de monniken op. Toen de keizer kwam te overlijden, werd keizerin Irene regentes voor haar minderjarige zoon Constantijn VI en het lukte haar om haar tegenstanders uit hun machtsposities te verdringen.
In 787 kon dan ook het tweede oecumenisch concilie van Nicea plaatsvinden. Ongeveer 350 bisschoppen waren bijeen. Paus Hadrianus I had afgezanten gestuurd. Zijn brieven werden voorgelezen en met acclamaties ontvangen.
Dit concilie verklaarde het iconoclastisch concilie van 754 ongeldig. Iconoclasme werd tot ketterij bestempeld en de beeldenverering werd plechtig hersteld.

Maar we zijn er nog niet – nog even geduld – want de strijd was nog niet over. Er kwam een tweede golf van iconoclasme met de troonsbestijging in 813 van Leo V. Dit luidde nog eens een periode van bijna 30 jaar in dat het iconoclasme de officiële leer was van het Byzantijnse rijk.

Maar het iconoclasme werd definitief veroordeeld in het Byzantijnse rijk in 842
toen Michael III keizer werd. Het definitieve herstel van de verering van de iconen geschiedde aan het begin zijn regering en wederom door het initiatief van een vrouw, namelijk keizerin Theodora. U ziet hoe particulier het allemaal is.
De besluiten van het tweede concilie van Nicea werden door een synode in 842
bekrachtigd.

Dit herstel van de beeldenverering wordt tot op de dag van vandaag op de eerste zondag van de vasten herdacht in de Orthodoxe kerken met het feest van de rechtgelovigheid, het feest van de Orthodoxie.

VII. Tot besluit

Volgens strikt theologische beginselen werden en worden iconen vervaardigd.
Hoge eisen werden en worden er gesteld aan de iconen die niet primair als kunstwerk worden gezien maar als een beeld van Godswege gezonden en daarom genadevol. Dat wordt treffend uitgedrukt in een gebed dat volgens het handboek voor iconenschilders van Dionysios van Fourna wordt gebeden:

Heer Jezus Christus, onze God, niet te begrijpen in uw Goddelijke natuur …
Gij zijt ons tastbaar nabij gekomen in uw menswording tot ons heil …
Gij hebt de heilige trekken van uw gelaat ingeprent in het heilige doek
en daardoor koning Abgar van zijn kwaal genezen en zijn ziel met de ware kennis van God verlicht … Verlicht ook uw dienaar N., o God en Heer van alle dingen, vervul zijn ziel, hart en geest met wijsheid en leid zijn handen, opdat zij de gestalte van uw persoon en die van uw onbevlekte Moeder en van alle heiligen klaar en duidelijk zouden afbeelden tot eer en glorie en verheerlijking van uw heilige Kerk.”

Het Tweede concilie van Nicea dat de iconoclasten veroordeelde en de iconen en de verering daarvan toestond en tot leer voor heel de Kerk maakte,
repte overigens met geen woord over iconen die op wonderbaarlijke wijze tot stand waren gekomen of over verhalen die over wonderbaarlijke iconen verteld werden. Een gedeelte uit de dogmatische constitutie zegt:

“Wij definieren dus met alle omzichtigheid en zorgvuldigheid, dat de vererenswaardige en heilige afbeeldingen, … gewijde voorstellingen zijn en dat zij dienen te worden opgesteld in de heilige tempels van God en in ere gehouden moeten worden …Door op te gaan in de aanschouwing van de beelden wordt men geleid tot levendige gedachtenis van de prototypen en tot verlangen naar hen. Men kan de iconen groeten en eren, maar niet aanbidden, want de eigenlijke aanbidding komt volgens ons geloof alleen toe aan de goddelijke natuur … De eer die men aan de afbeelding bewijst gaat over naar het prototype of het oerbeeld. Wie dus een afbeelding vereert, vereert de afgebeelde.” Tot zover het citaat van Nicea II.

In navolging van dit concilie zegt het ‘Directorium over volksvroomheid en liturgie’ van de congregatie voor de goddelijke eredienst van 2002:
“Het is vooral noodzakelijk dat de gelovigen de betrekkelijkheid zien van de christelijke verering van beeltenissen. De beeltenis wordt immers niet om zichzelf vereerd, maar om wie erop is afgebeeld.”

Dames en heren, nogmaals: Nicea II was het zevende en laatste oecumenisch concilie dat zowel door de kerken van het Oosten als het Westen algemeen aanvaard is. Dit oecumenisch concilie heeft uitspraken gedaan die geldend zijn voor heel de Kerk tot op de dag van vandaag.

Een icoon van de Moeder Gods in de oecumenische kapel van het WK had, gezien dit oecumensich concilie, niet opgevat moeten worden als enkel een katholieke uiting, maar had juist een teken van oecumene kunnen zijn.

Dank voor uw aandacht.

Actueel

Lezing pastoor Woorts over iconoclasme

1 juli

Op de convicstdag hield pastoor Herman Woorts, oud-student van het Ariënskonvikt, docent iconologie en pastoor op de Utrechtse heuvelrug, een lezing over het iconoclasme en de theologische fundamenten van de beeldenverering. Aangezien er veel vraag is naar de volledige tekst krijgt u die bij deze. Met dank aan pastoor Woorts.Lees verder >>

30 juni

Convictsdag 2006 geslaagd

27 juni

Lievelde op het Clarahuis

27 juni

Aanstellingen lectoraat en acolitaat

10 juni

Preek kardinaal Simonis bij priesterwijding Victor Bulthuis

19 mei

Zesde ariënslezing: Ariëns en de priesterlijke spiritualiteit

17 mei

Jongerenpastoraat en Gebed:Zien bidden doet bidden

14 mei

Diakenwijding te Bovendonk

8 april

Opbrengst collectes vastentijd 2006

27 maart

Ludgerbedevaart 2006