"God ontferm U over mij in uw barmhartigheid."
Home > Nieuws
2 MAART 2007 - Jaarlijks wordt ter voorbereiding op de Veertigdagentijd een bezinningstijd gehouden, de zogenaamde "Recollectio." Dit jaar hield prof. Herwi Rikhof van de Faculteit Katholieke Theologie een inleiding over Psalm 51, ook wel bekend als "Miserere." Hier volgt de volledige tekst van zijn voordracht. De afbeeldingen zijn later toegevoegd.
Jaarlijks wordt ter voorbereiding op de Veertigdagentijd een bezinningstijd gehouden, de zogenaamde "Recollectio." Dit jaar hield prof. Herwi Rikhof van de Faculteit Katholieke Theologie een inleiding over Psalm 51, ook wel bekend als "Miserere." Hier volgt de volledige tekst van zijn voordracht. De afbeeldingen zijn later toegevoegd.1. Inleiding
In deze recollectie wil ik nadenken over psalm 51, een van de zeven boetepsalmen en de psalm die we elke vrijdag bidden in het morgengebed. Waarom deze psalm?
Omdat die past in deze tijd. We gaan de vastentijd in en tijdens de advent viel mij weer op hoe anders in de toon van de lezingen en in de keuze van de thema’s in de liturgie die sterke paarse tijd is dan de sterke paarse tijd die we nu in gaan. En door aan het begin van de vasten stil te staan bij de psalm 51 kan ik misschien helpen die toon en dat thema nader te bepalen.
Ik heb psalm 51 ook gekozen omdat in de geschiedenis van theologie en spiritualiteit die psalm een grote invloed heeft uitgeoefend en een belangrijk onderwerp van reflectie is geweest. Met die psalm plaatsen en weten we ons in een lange traditie. En dat plaatsen en weten is een wezenlijk onderdeel van ons geloof. We maken ons geloof niet zelf, wij construeren niet hoe God wel of niet moet zijn of zou moeten zijn, maar wij ontvangen ons geloof en wij denken op allerlei manieren na over de geloofsgegevens. Ik wil geen woordspelletje spelen, maar ‘denken’ verschilt echt van ‘na-denken’. En door na te denken over een psalm als psalm 51 oefenen we ons ook in de houding die nodig is voor ons geloof, die wezenlijk is voor ons geloof. Ik zeg dat met nadruk omdat de psalmen gebeden zijn en we bidden zoals we geloven en we geloven zoals we bidden. En van goed bidden kunnen we beter gaan geloven. Het gebed van de Farizeeer voor in de tempel ( ‘ ik dank u God dat ik niet zo ben als die anderen’), leert ons hoe gemakkelijk we in de zaken van God voor ons zelf beginnen. Na-denken over psalmen en met name over deze psalm kan ons helpen bij God te blijven en niet voor onszelf te beginnen.
Ik wil zo die eerste setting laten horen, zodat we via de muziek dichter bij de tekst kunnen komen. Daarna loop ik, zoals Harm van Grol dat zo treffend noemt, langs de regels van de psalm om vervolgens een commentaar te geven vanuit de theologie en ook vanuit de geschiedenis van theologie, want ik zal daarbij ook gebruik maken van de commentaren die Augustinus en Thomas op deze psalm geschreven hebben. We sluiten dan af met opnieuw te luisteren naar deze psalm, en dan via de muziek van Allegri. In die twee tussendelen, het lopen langs de regels en het commentaar, wil ik gebruik maken van inzichten uit exegese en theologie, omdat ik van mening ben dat ook bij een meditatie, bij een lectio divina, dat soort inzichten van belang zijn en kunnen helpen. Het idee dat je met een leeg hoofd zou moeten lezen is onzin. Theologie in de brede zin van het woord is bedoeld tot het verdiepen van het geloof.
2. Roland de Lassus - Psalmi Davidis Poenitentiales
Psalmus quartus Poenitentialis :
Misere mei deus secundum magnam misericordiam tuam
Uitgevoerd door Collegium Vocal Gent
o.l.v. Philippe Herreweghe
3. Lopen langs de regels van de Miserere
Een psalm is een gebed, maar in de vorm van een lied, een gedicht. En liederen, gedichten lees je anders dan verhalen. Op de achtergrond staat wel een verhaal en er zijn ook wel verhalende psalmen, maar dan nog is het een gedicht. Een lied, een gedicht heeft tenminste twee kenmerkende aspecten: de vorm en de woordkeus. Wie de voorontwerpen van gedichten ziet, de veranderingen, de tekst varianten bekijkt, ziet dat het dan meestal om woordjes gaat, zo nu en dan om een zin, maar zoals Achterberg dat formuleert in het gedicht Code, ‘ de dichter weegt en wikt ... totdat het slot opengaat’. Precies omdat een lied, een gedicht beperkt is door vorm, door ritme, door rijm, is elk woord van belang en meer nog is van belang waarom dit woord en niet dat. Een woord staat er niet zomaar, maar is bewust gekozen en wel vanwege de associaties.
Over beide aspecten, vorm en woorden, wil ik iets zeggen.
Wat betreft de vorm wil ik op een aspect wijzen. Wie de psalm leest, zal aan het eind het gevoel krijgen dat er iets niet klopt. De laatste regels zijn anders van toon en van beeld. En niet alleen anders, zelfs tegengesteld. Het gaat over het weer opbouwen van de muren van Jeruzalem en dat past niet bij de setting, dat David deze psalm gemaakt heeft. Bovendien wordt eerst gezegd dat God geen offers, geen brandoffers wenst, en in de laatste regel gaat het over offers van stieren. Daarom neemt men aan dat die laatste regels later zijn toegevoegd. Als we die laatste twee regels weglaten krijgen we een gedicht met een mooie structuur, waarin allerlei vormen van parallellisme terug te vinden zijn. Meestal vind ik dit soort ingrepen niet zo’n goed idee, maar in dit geval zou ik het wel willen doen. Wat we dan krijgen is het volgende.
Na een openingszin zijn er twee gedeelten, die zich als een parallel tot elkaar verhouden. De reden om over twee delen te spreken heeft te maken met de herhaling van termen. Ik gebruik nu een vertaling waarbij die herhaling duidelijk wordt en maak ook een structuur in de tekst waaruit die parallellie blijkt.
Wis uit wat ik heb misdaan
Was mij schoon van schuld
Reinig mij van mijn zonde.
Ik beken: ik heb mij misdragen,
Mijn zonde klaagt mij voortdurend aan.
Tegen U alleen heb ik gezondigd,
Ik heb gedaan wat in uw ogen slecht is.
Waarachtig, uw vonnis is terecht,
Uw oordeel blijft onaanvechtbaar.
Ik ben schuldig vanaf mijn geboorte,
Mijn moeder werd in zonde zwanger van mij.
Waarheid wenste U in het donker van de schoot,
U liet mij, verborgen nog, wijsheid kennen.
Reinig mij met hysop en ik zal schoon zijn;
Was mij en ik zal witter dan sneeuw zijn. Laat blijdschap weer volop mijn deel zijn, En laat mijn gebeente, dat door U werd gebroken, gaan dansen. Wend uw ogen af van mijn zonde,
Wis al mijn schulden uit.
God, schep in mij een zuiver hart,
Vernieuw mijn geest, maak hem standvastig.
Verstoot mij niet, weg van uw gelaat,
Neem uw heilige geest niet weg van mij.
Heer, geef mij de vreugde van uw verlossing
Sterk mij met uw grootmoedige geest.
Dan zal ik verdwaalden uw weg kunnen wijzen,
Dan keren zondaars tot U terug.
Verlos mij uit mijn sprakeloosheid, O God, die mijn redder bent,
En mijn tong zal uw goedheid loven.
Heer, open mijn lippen
En mijn mond zal uw lof verkondigen.
U wenst toch immers geen slachtoffers?
U vindt toch geen voldoening in brandoffers?
Een berouwvolle geest is een offer voor God.
Een rouwmoedig, vermorzeld hart, zult U, o God, niet verwerpen.
Ik wil nu die twee delen nader bekijken en daarbij op de woorden letten.
In het eerste gedeelte valt op dat de woorden die de structuur aangeven in eerste instantie woorden zijn die met vuil te maken hebben, met wassen en schoonmaken. Maar die woorden die met uiterlijk te doen hebben worden gebruikt voor iets innerlijks. Je kunt ook zeggen dat wassen en reinigen hier metaforisch, overdrachtelijk gebruikt worden. Zoals ik al eerder gezegd heb, de keuze voor deze woorden is niet zomaar. Het innerlijke waar naar verwezen wordt en de termen die daarvoor gebruikt worden zijn schuld en zonde, wordt hier gezien als besmeurend en besmeurd. Er zijn ook andere woorden die in de Schrift gebruikt worden als het over zonde gaat en die we straks tegen zullen komen, maar de eerste associatie is dus vuil en vies. Die associatie komt terug aan het eind van dit deel, maar dan als het tegenovergestelde: schoon en witter dan sneeuw.
De woorden (wissen wassen en reinigen) zijn een verzoek. Wat aan dat verzoek ten grondslag ligt, wordt vervolgens gezegd wordt: een proces van erkenning, van bewust worden, van ontdekken. Als we de psalm lezen vanuit het opschrift kunnen we ook zeggen dat hier verwezen wordt naar een disclosure, een ontdekking, een andere, manier van kijken, een moment van doorzicht en inzicht.
Midden in dat proces staat wat ontdekt is, wat de inhoud van die erkenning is: tegen u alleen heb ik gezondigd. Een opmerking over het verleden, over wat gebeurd is.
In het tweede gedeelte wordt de toon gezet door de twee woorden die het kader aangeven hart en geest: het innerlijke van de mens, het centrum van gevoel en activiteit, dat wat constitutief is voor de mens. Het thema van het eerste gedeelte keert enerzijds terug in de woorden van het tweede deel, als zuiver, maar wordt anderzijds verdiept. Dat gebeurt al direct door de termen ‘scheppen’ en ‘vernieuwen’ . Het gaat om een ingrijpend proces, dat niet aan de buitenkant blijft. Dat blijkt ook aan het eind waar termen gebruikt worden als gebroken (berouwvol) en vermorzeld.
Dat blijkt ook uit de volgende stap in dat tweede gedeelte, die gekarakteriseerd wordt door negatieve termen: niet / geen. Het verzoek om schepping en vernieuwing, wordt nog een keer geuit, nu negatief en ook dieper. Het gaat om de relatie met God. Die wordt op twee manieren verwoord: Gods aangezicht (uiterlijk) en Heilige Geest (innerlijk). Die relatie keert ook terug in het spiegelende gedeelte, maar dan in termen van offers en an eredienst. Die eredienst wordt als een niet-uiterlijke voorgesteld (geen slachtoffers). Die niet-uiterlijke eredienst wordt dan in de laatste regels positief ingevuld: een gebroken, vermorzeld hart geest.
Midden in dit ingrijpende proces staan opmerkingen over de toekomst. Het gaat om verlossing. Met verlossing is (positief) vreugde verbonden en (negatief) sprakeloosheid. De inhoud van die vreugde en van dat spreken staat weer in het midden: ‘Dan zal ik verdwaalden uw wegen wijzen, dan keren zondaars tot U terug’. Hier komt de andere associatie die bij zonde hoort naar voren: de weg kwijtraken, verloren lopen, geen richting of de verkeerde richting hebben.
Wanneer deze (korte) analyse klopt, hebben we dus twee delen, met in elk deel een centrale gedachte die met de ik te maken heeft en wel in relatie met de u. Maar die twee gedachten vertonen een tegenstelling. In het eerste deel is die centrale uitspraak negatief: ik heb gezondigd en de volgende zinnen werken dit verder uit: slecht, schuldig. In het eerste deel is er enkel een verband met u: u alleen. En die u wordt verbonden met vonnis, oordeel. En zoals gezegd het gaat hier om verleden (ik) en tegenwoordige tijd (u). In het tweede deel is die centrale gedachte positief. Verlost kan de vroegere zondaar anderen helpen, anderen tot God te brengen, relaties herstellen. De ervaring van verlossing, de vreugde, wil zich meedelen, doorbreekt de gerichtheid op het eigen ik. En zoals gezegd, het gaat hier om een toekomstperspectief.
4. Een commentaar op de Miserere
Ik wil nu een commentaar geven vanuit de systematische theologie en vanuit de geschiedenis van de theologie en zoals gezegd maak ik hierbij gebruik van de commentaren van Augustinus en Thomas van Aquino.
Een eerste opmerking moet een opmerking over het lezen zijn. Ik bedoel nu niet het lezen zoals ik dat net gedaan heb, langs de regels lopen, op woorden en vorm letten, maar een ander aspect van het lezen van de Schrift. Door ons historisch denken en door de invloed van de historisch kritische methoden in de exegese van de Bijbel ontstaat er een spanning met de manier van lezen die hoort bij de H. Schrift. Ik gebruik met opzet twee verschillende termen om naar hetzelfde boek te verwijzen: Bijbel en H. Schrift. De Bijbel wordt H. Schrift wanneer die gelezen en verstaan wordt als woord van God, wanneer die gelezen wordt in de liturgie, wanneer die gelezen en verstaan wordt als ook over ons. Als het in het Nieuwe Testament gaat over de leerlingen, gaat het ook altijd over ons en als wij de psalmen bidden is ieder van ons de ik .
In het geval van psalm 51 is die overgang van toen naar nu, van die ik naar mij niet zo vanzelfsprekend of zo gemakkelijk. Heel duidelijk staat namelijk in het opschrift van de psalm de historische context. Niet alleen dat het een psalm van David is, maar ook de aanleiding en de namen van Nathan en Betsabe vallen. Voor Augustinus en Thomas is dat niet doorslaggevend om dan maar die psalm historisch te gaan lezen, als een psalm enkel over David, enkel van David. Integendeel, beiden gebruiken dat historische gegeven als een belangrijk element om de psalm eigen te maken.
Augustinus op zijn karakteristieke retorische manier speelt met David als voorbeeld. Deze psalm is niet een uitnodiging om hem na te volgen, maar een les tot vrees. Veel mensen willen hem wel volgen in zijn val, maar niet in zijn opstanding. David wordt echter niet ten voorbeeld gesteld in zijn val, maar in zijn opstanding. Daarom wordt die psalm ook zo vaak gebeden en gezongen: opdat zij die niet gevallen zijn, niet vallen en zij die gevallen zijn, opstaan.
Thomas maakt soortgelijke opmerkingen in zijn inleiding. Hij grijpt terug op het verhaal dat we gisterenavond gehoord hebben, op Nathan die namens de Heer zegt: ‘wat jij in het verborgene hebt gedaan heb ik in de openbaarheid gebracht’. De reden voor dit in openbaarheid brengen, is de barmhartigheid Gods. Als David na zoveel overwinningen, na het ontvangen van de gave van de Geest, na zoveel familiariteit met God en profeteren gezondigd heeft, hoeveel te meer moeten wij brekelijke en zondige mensen dan wel niet oppassen. En voor degenen die gezondigd hebben is deze psalm nuttig, want ze hoeven niet te wanhopen: zelfs na overspel en moord herkreeg David de genade van de profetie.
Een tweede opmerking heeft te maken met een of beter twee aspecten van theologie en theologie beoefening dat gezien de recente ontwikkelingen in theologisch Nederland ook niet vanzelfsprekend zijn, maar die voor mij tot de kern van theologie behoren. Twee aspecten waardoor een theologisch commentaar op deze psalm zo passend is.
Theologie, systematische theologie gebeurt vanuit het binnenperspectief: de geloofsreflectie vindt plaats binnen en vanuit het geloven. Fides quaerens intellectum. Vanuit de geloofsrelatie en staande binnen die relatie wordt na-gedacht over die relatie. Coram Deo, in het aangezicht van God wordt na-gedacht. De psalm beweegt zich nadrukkelijk in die relatie, het is een gebed, God wordt aangesproken en die relatie zelf staat op het spel: ‘weg van uw gelaat’.
Ik wil nog een stap verder gaan en een adagium citeren, dat in de theologie wel vaak genoemd wordt, maar niet zo vaak gepraktiseerd wordt en dat ik over de laatste jaren steeds belangrijker ben gaan vinden: lex orandi lex credendi. Precies omdat de psalm een gebed is, en behoort tot het bidden van de kerk, is het een goed en belangrijk uitgangspunt voor de reflectie. En omdat het gaat over lex probeer ik een aantal regels te ontlenen aan de psalm en aan de commentaren van Augustinus en Thomas om goed over zonde, kwaad, falen etc. na te denken en in het verlengde daarvan daar goed mee om te gaan.
De geloofsrelatie kent (tenminste) twee kanten, onze kant en Gods kant. Over beide wordt in deze psalm in verband met zonde gesproken. Ik zal eerst onze kant ter sprake brengen.
zonde als verleden
Inde titel van de psalm wordt verwezen naar een concreet gebeuren in het verleden, het overspel dat David met Batseba heeft gepleegd, de moord op haar man Uria en het optreden van Natan, die hem de ogen heeft geopend voor wat hij, wat zij gedaan hebben.
Wanneer Augustinus de zin bespreekt uit het eerste gedeelde waarin David die ontdekking, die realisering van het kwaad voor het eerst formuleert, citeert hij een tekst die een beetje anders is dan die uit de Vulgaat. In de Vulgaat staat quoniam iniquitatem meam ego cognosco et peccatum meum contra me est semper. Augustus citeert in plaats van ‘ contra me’ ‘coram me’ en dat coram is voor hem de aanleiding om de spanning tussen verleden en heden aan de orde te stellen . Voor David was overspel en moord iets dat achter hem lag en dat door het optreden van Natham weer voor zijn ogen ligt.
Er zitten twee aspecten aan dit gegeven. Allereerst het inzicht dat de handelingen die we doen, ook al weten we dat ze verkeerd zijn, we ze toch doen omdat we denken dat ze gezien de omstandigheden en om een bepaalde reden goed zijn. Terugkijkend ontdekken we dat ze toch niet zo goed waren als we dachten, hoopten. Terugkijkend moeten we onze mening veranderen. Dat is precies wat in het eerste deel van de psalm verwoord wordt.
Vervolgens moeten we vasthouden aan zonde als iets uit het verleden. Ook dat wordt duidelijk uit het eerste gedeelte dat doortrokken is van de verleden tijd, de voltooid verleden tijd. We moeten vasthouden aan zonde als iets verledens en daaraan blijven vasthouden. We moeten dus niet over zonde praten als over een toekomstige mogelijkheid. We moet altijd zo praten dat we terugkijken. Het gaat er bij deze regel niet om dat zonde in de toekomst niet zal plaats vinden, maar dat we niet goed en kwaad op een lijn stellen, niet als twee gelijke mogelijkheden beschouwen. Als we dat doen, als we een symmetrie tussen goed en kwaad construeren geven we het kwaad zo gezegd een stevigheid die het niet heeft.
Ik kan dit verduidelijken aan de hand van het denken over hemel en hel. De neiging bestaat hemel en hel als twee gelijke mogelijkheden te zien. De mens kan dan neutraal kiezen voor een van de twee, voor of tegen God. Maar bijbels, en gelovig gezien bestaat die symmetrie niet. Want als we hemel en hel symmetrisch zien, beschouwen als twee gelijke mogelijkheden, dan betekent dat dat God beide geschapen heeft als gelijke mogelijkheden, dat God onverschillig is ten aanzien van heil of onheil of zelfs sommigen heeft voorbestemd tot heil en anderen tot onheil. Dat gaat in tegen de schepping van de mens als beeld van God, dat betekent dat elke mens in staat tot God is. Het doel van de mens, Gods bedoeling met de mens, is omgang met God. Of de concrete mens in feite wel of niet met God wandelt is een andere kwestie. Het feit dat mensen niet voor de omgang kiezen (en dus de hel maken) gaat in tegen Gods bedoeling. Bovendien gaat de symmetrie van goed en kwaad in tegen Jezus’ prediking, waarin het goede voorop staat en tegen de verrijzenis als Gods bevestiging van Jezus’ leven en als teken van de overwinning van het goede over het kwaad.
Als eerste regel zou ik dan willen formuleren:
praat en denk concreet over kwaad en zonde en blijf daarbij praten en denken over kwaad en zonde in de verleden tijd.
zonde en erfzonde
In het eerste gedeelte staat een opmerking die de diepte van de zonde betreft: ‘ ik ben schuldig vanaf mijn geboorte, mijn moeder werd in zonde zwanger van mij’. Thomas geeft bij deze opmerking het volgende commentaar: ‘Hier wordt de wortel van schuld (culpa) aangegeven. De wortel van elke actuele schuld is de erfzonde (peccatum originale)…. En dit vermindert de schuld: alsof hij wil zeggen: het is niet verbazingwekkend dat ik zondig, omdat ik in zonde ontvangen ben’. Thomas wijst hier op de erfzonde als de wortel van alle actuele schuldigheid. Tegelijkertijd wijst hij erop dat hiermee ook een verzachtende omstandigheid in het spel komt.
Die interpretatie van dit vers als een verwijzing naar de erfzondeleer, is ook te vinden bij Augustinus. David spreekt hier namens het mensengeslacht en richt zijn aandacht op de oorsprong van het kwaad. Augustinus gaat dan spreken over de doop, de kinderdoop, misschien een echo van de woorden die het frame vormen van dit gedeelte: wassen reinigen.
Deze verwijzing naar de erfzonde leer lijkt mij van belang, omdat de erfzondeleer een realistisch omgaan met zonde en kwaad mogelijk maakt. De erfzondeleer verwijst namelijk naar de historische en sociale aspecten van onze individuele en persoonlijke zonden. Het verwijst naar de achtergrond en de context waarin we verkeerd handelen, en ook naar de consequenties. Wij handelen altijd binnen een situatie die door de verkeerde beslissingen van anderen is bepaald en beperkt en door onze verkeerde beslissingen wordt de situatie van anderen weer bepaald en beperkt. Als we niet over erfzonde spreken moeten we dat grote grijze gebied van moreel kwaad, als racisme, terrorisme, noord - zuid tegenstelling, bureaucratisering etc. ofwel reduceren tot een soort natuur kwaad waarvoor niemand verantwoordelijk is ofwel zien als het kwaad waar ik persoonlijk voor verantwoordelijk ben ( of waarschijnlijk preciezer de ander voor verantwoordelijk is.
Voor alle duidelijkheid: het beroep op erfzonde om naar onze zonden en schuld te kijken is geen ontkenning van schuld: vermindering is niet hetzelfde als ontkenning.
Als tweede regel zou ik daarom willen formuleren:
praat en denk over zonde en schuld altijd in verband met de erfzonde:
dan praat en denk je realistisch over zonde en schuld.
Ik ga nu over naar Gods kant
genezen
Augustinus gebruikt hier een terminologie die in de loop van de geschiedenis bij het nadenken over sacramenten van grote invloed is geweest: sacramenten als medicijnen, met op de achtergrond het denken over Christus als medicus. Het feit dat Augustinus deze manier van spreken haast als vanzelfsprekend introduceert in een psalm waar eerder een andere terminologie dominant is, de terminologie van rechtspraak en rechter, leidt mij tot een ander regel: spreek en denk niet over Gods omgang met ons zondige mensen op de eerste plaats in termen van rechtspraak, maar in termen van genezen.
En om deze regel nog wat verder te onderbouwen en toe te spitsen ga ik naar Thomas’ commentaar.
In het eerste gedeelte van de psalm staat centraal: ‘tegen u alleen heb ik gezondigd’ en het geheel is een schuldbelijdenis coram Deo. Thomas merkt bij de opening van de psalm op dat deze psalm een psalm van hoop is omdat deze gericht is op Gods natuur en op de vele effecten ervan. Hij is gericht op Gods natuur en het eigene van de goddelijke natuur is goedheid. De barmhartigheid God is echter niets anders dan zijn goedheid die de ellende wil uitwissen.
In de Summa Theologiae geeft Thomas een uitgebreide discussie over misericodia Gods en betoogt dat het niet zomaar een aspect is van Gods goedheid, maar het belangrijkste (misericodia est Deo maxime attribuenda) is. En op het argument dat rechtvaardigheid God beter past dan barmhartigheid, reageert hij met de stelling dat barmhartigheid gezien moet worden als de rechtvaardigheid overstijgend. Het argument dat hij daarbij geeft is verhelderend: wanneer iemand die iemand anders 100 denarien schuldig is, hem er 200 geeft, doet hij niets tegen de rechtvaardigheid, maar handelt hij barmhartig; een argument dat de parabel van de werkers van het elfde uur oproept En op de vraag of rechtvaardigheid en barmhartigheid in al Gods werken gevonden kunnen worden, stelt hij dat barmhartigheid prioriteit heeft. Rechtvaardigheid zou voldoende zijn, maar God doet altijd meer, overtreft de verwachtingen.
In zijn Summa begint Thomas met een uitvoerige oefening in het praten en denken over God waarin dit gegeven centraal staat. Hij presenteert daar een vorm van negatieve theologie, waar het niet gaat om een gebrek aan kennis, maar om God die te groot is voor onze categorieen. Dat is wat Thomas de incomprehensibilitas Dei, de onbegrijpbaarheid Gods noemt. In zijn commentaar op de openings zin van deze psalm keert dat begrip terug. En ik wil Thomas even aan het woord laten om te laten zien hoe ingrijpend dit aspect is.
‘De term ‘groot’ wordt gebruikt, vanwege zijn ongrijpbaarheid, omdat hij alles vervult … en in allen plaats heeft: want de rechtvaardigen handhaven de onschuld vanwege de barmhartigheid van God ... de zondaars worden bekeerd tot gerechtigheid vanwege de barmhartigheid van de God … degenen die in zonde leven ervaren de barmhartigheid Gods. Zij wordt ‘groot’ genoemd vanwege de uitstekendheid, omdat de barmhartigheid boven alle werken gaat, want barmhartigheid slaat niet op een of andere gemoedsgesteld in God, maar op zijn goedheid ellende te laten verdwijnen. Zij wordt ‘groot’ genoemd vanwege de duurzaamheid – eeuwig, vanweg de kracht, God heeft de mens onsterfelijk gemaakt, vanwege het effect, omdat het de mens uit alle ellende kan oprichten. En daarom vraag ik (!) vol vertrouwen: heb medelijden met mij.’
Dit leidt mij tot de volgende regel:
wanneer je denk of praat over God en zeker over Gods reactie op zonde en kwaad praat en denk dan op zo’n manier dat Gods barmhartigheid en dat het onverwachte en verrasssende van Gods barmhartigheid prioriteit heeft.
En om dit nog wat verder in te vullen ga ik in op een opmerking van Thomas naar aanleiding van de bede: ‘schep een nieuw hart in mij’ . Thomas merkt bij deze eerste bede uit het tweede gedeelte op dat hier terecht ‘scheppen’ staat.
Voor Thomas is scheppen ’iets uit niets maken’. Dat is geen lege tautologie, maar een formulering die het onvoorstelbare van Gods scheppend handelen duidelijk moet maken. Al ons handelen is een handelen aan iets of met iets, is een verandering van iets in iets anders. Maar het scheppend handelen van God vooronderstelt niets, is volkomen vrij, is die niet reagerend.
Dat begrip ‘scheppen’ ziet Thomas dus hier in de psalm als terecht aanwezig. Die herkenning heeft met twee aspecten te maken, met zonde als niets, met het ontbreken van het goede, en met het vergeven als een handelen Gods dat volkomen vrij is, niet -reactief. En dat laatste levert een verdere aanscherping van de net genoemde regel:
praat en denk zo over Gods vergeven dat er geen spoor van reactie of conditie in zit.
Augustinus gebruikt hier weer de terminologie van ziekte en medicus. De Geest zet aan tot erkennen van zonden, want deze passen niet bij de heilige Geest. De Geest en jij werken nu samen om de koorts te verdrijven; jij en de dokter.
Thomas leest de bede als een gebed in eerste instantie om de genade zelf die door de Geest wordt gegeven, als een vraag om de Geest zelf. Het ’neem niet weg van mij’ legt Thomas als definitief, voorgoed wegnemen. Deze toevoeging roept Jezus’ opmerking in herinnering dat alle zonden vergeven kunnen worden, behalve de zonde tegen de heilige Geest. Thomas legt die opmerking uit als een keuze voor het kwaad. Of zoals hij het ook formuleert, als een handelen waarbij we dat wat ons verhindert kwaad te doen verwijderen. Zonde tegen de Geest is de aanwezigheid van Gods Geest, is Gods liefde verhinderen en verwerpen. Dit in onvergefelijk, omdat het zoiets is als een ongeneeslijke ziekte, waardoor mensen geen medicijnen willen. Onvergeeflijk is dan de barriere die wij oprichten. Niet God richt zo’n barriere op. En vandaar de laatste regel:
wanneer je praat en denkt over Gods handelen in verband met zonde en kwaad, gebruik dan niet de term ‘ onvergeeflijk’ .
Ik heb niet de pretentie dat ik met dit lopen langs de regels en dit commentaar de rijkdom van de psalm volledig ter sprake heb gebracht, en ook niet alle inzichten die in de commentaren van Augustinus en Thomas te vinden zijn, maar ik hoop dat ik wel heb laten zien waarom deze psalm zo’n prominente plaats inneemt in ons bidden.
En luisteren we nu tot slot nog een keer naar de psalm, nu in een andere setting
5. Gregorio Allegri
Miserere a 9
Uitgevoerd door Taverner Consort
o.l.v. Andrew Parrott